Page 3 - Waarom kiezen wij voor (kinder)volksdans?
P. 3

Zij hebben nog niet de vereiste psychische leeftijd bereikt om hun
eigen zielenleven in deze ingewikkelde vormen uit te drukken. Het
gevolg is het ontstaan van een soms technisch perfect uitgevoerde
dans, die echter niet ontstaat uit een innerlijke bewogenheid en die
dus in het geheel niet kan meegeleefd of aangevoeld worden.

De volksdans zoekt deze esthetische uitdrukkingsvormen op een
niveau dat voor het kind bereikbaar is: eenvoudige passen, die het
ritme een steun geven, en natuurlijke figuren ter illustratie van de
melodie. De dansleiding moet er steeds over waken dat het esthetische
moment aan de grondslag ligt van de volksdansbeoefening. Ruwheid
moet te allen prijze vermeden worden en alle evoluties moeten direct
uit het kinderlijke gemoed komen.

De esthetische stimulans kan nog intenser zijn als het milieu aanzet tot
esthetische bewustwording: behoorlijke muzikale verklanking,
verzorgde kledij, een esthetische verantwoorde dansruimte en
verzorgde instructiemethodes (taaluitdrukking). Heel het
volksdansonderricht moet als het ware het schoonheidsklimaat
uitstralen.

Beheersen van de ruimte

De (kinder)volksdans draagt in grote mate bij tot het leren beheersen
van de ruimte. Het kind moet leren om zich harmonisch op de vloer te
bewegen als voorbereiding op de oriëntatie in de samenleving. Door de
steeds wisselende opstellingen (kringopstelling, lange rijformatie,
paarsgewijze opstelling), leert het kind zijn/haar weg vinden op de
dansvloer. Daarbij wordt het kind gesteund omdat de kring of de rij
gesloten wordt (steun van zwakkere elementen door sterkere) waarna
weer ieder individueel zijn weg moet uitstippelen (bewustwording van
de eigen mogelijkheden). Bij de pedagogische aanpak van de dansen
kunnen bovendien verschillende oefeningen ingeschakeld worden, die
als doel hebben om zich soepel te leren bewegen op de vloer en een
dansbaan te kiezen, rekening houdend met de evolutie van andere
kinderen.

Het is verder aanbevolen de dansers in eenzelfde ruimte niet altijd op
dezelfde manier te oriënteren en – indien mogelijk – niet steeds in
dezelfde zaal te evolueren, waardoor het kind zich niet laat leiden door
steunpunten in het oefenlokaal. Het kind vindt zo steunpunten in
zichzelf: d.w.z. dat het kind autonoom zijn weg zoekt op de dansvloer.

                                                                             3 www.danskant.be
   1   2   3   4   5   6